Van 100% naar 150%: wat betekent de nieuwe meeneemregeling voor gemeenten?

Door Kimberley Krelage 

Gemeenten krijgen meer ruimte. Maar ook meer verantwoordelijkheid. 

Met de recente aanpassing van de meeneemregeling binnen de Wet inburgering heeft het Rijk een duidelijke boodschap: besteed middelen effectief, maar straf gemeenten niet als dat niet binnen één jaar lukt. 

Een logische stap. Wel één met financiële, bestuurlijke én controlematige gevolgen. 

Waarom deze wijziging?

Binnen de huidige systematiek ontvangen gemeenten een specifieke uitkering voor inburgering. Tot nu toe gold: wat je niet besteedt, betaal je in principe terug. 

Tegelijkertijd weten we allemaal: inburgering is geen lineair proces. Trajecten lopen door. Instroom fluctueert. Uitvoering vraagt tijd. 

Dat wringt. De aanpassing speelt daarop in. Gemeenten mogen voortaan niet alleen 100% van het lopende budget meenemen, maar daarbovenop ook nog eens 50% van het budget uit het voorgaande jaar. 

Kort gezegd: de meeneemruimte groeit van 100% naar 150%.

Wat verandert er concreet?

De kern van de wijziging is eenvoudig. De impact minder. 

Gemeenten mogen: 

  • 100% van de specifieke uitkering van het lopende jaar meenemen. 
  • Plus 50% van de uitkering van het voorgaande jaar.  

En dat met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024. Dat betekent dat gemeenten – achteraf gezien – méér middelen hadden mogen doorschuiven dan eerder werd aangenomen. En dus ook dat eerdere terugvorderingen mogelijk niet terecht waren. 

Terugwerkende kracht: zegen of hoofdpijndossier?

De terugwerkende kracht maakt deze wijziging interessant. En complex. 

Enerzijds voorkomt het dat gemeenten onnodig middelen moeten terugbetalen. Dat is positief. Zeker gezien de uitvoeringsdruk binnen het sociaal domein. Gemeenten hebben immers de regierol gekregen binnen de Wet inburgering en moeten nieuwkomers zo snel mogelijk laten participeren. 

Anderzijds roept het vragen op: 

  • Hoe gaan we om met reeds vastgestelde jaarrekeningen?  
  • Worden eerdere terugvorderingen automatisch gecorrigeerd?  
  • Wat betekent dit voor de rechtmatigheidsverantwoording?  

Het risico is duidelijk: correcties achteraf, aanvullende beschikkingen of zelfs heropeningen van dossiers. 

Financieel beheer onder druk

Meer ruimte klinkt aantrekkelijk. Maar kan ook schijnzekerheid geven. De verruiming naar 150% betekent niet dat middelen onbeperkt beschikbaar zijn. Het blijft geoormerkt geld. Met een duidelijke doelstelling: succesvolle inburgering en participatie. En juist daar zit de uitdaging. 

Want hoe borg je: 

  • Dat middelen tijdig en doelmatig worden ingezet?  
  • Dat reserves niet ongemerkt oplopen?  
  • Dat de relatie tussen budget en prestaties zichtbaar blijft?  

Voor financials en controllers betekent dit een scherpere focus op: 

  • Meerjarige budgetmonitoring. 
  • Inzicht in doorlopende trajecten. 
  • Een goede onderbouwing van overlopende middelen.  

Van verantwoorden naar sturen

Misschien zit de belangrijkste verschuiving niet in de regeling zelf. Maar in de manier waarop we ermee omgaan. De reflex is vaak verantwoorden. Klopt het financieel? Is het rechtmatig? 

Maar deze wijziging vraagt iets anders: sturen. 

Op: 

  • Realistische kasritmes. 
  • Uitvoerbaarheid van beleid. 
  • Het daadwerkelijk bereiken van inburgeringsdoelen.  

Want het doel van de wet blijft onveranderd: nieuwkomers zo snel mogelijk laten meedoen in de samenleving. Bij voorkeur via werk.

Wat vraagt dit van de praktijk?

De uitbreiding van de meeneemregeling is geen technische aanpassing.  

Het is een signaal dat: 

  • Beleid en uitvoering beter op elkaar moeten aansluiten. 
  • Financiële regels ruimte moeten bieden voor de realiteit. 
  • Die ruimte ook professioneel moet worden benut. 

Voor gemeenten betekent dit: 

  • Herijking van financiële processen. 
  • Scherpere analyse van onderbesteding.  
  • Nauwere samenwerking tussen beleid, uitvoering en control. 

Tot slot

Meer ruimte is welkom. Maar ruimte zonder richting leidt zelden tot betere resultaten. 

De verruiming van de meeneemregeling geeft gemeenten de kans om realistischer te werken. En beter aan te sluiten bij de praktijk van inburgering. Tegelijkertijd vraagt het om volwassen financieel beheer en scherpe sturing. De vraag is dus niet of dit een goede ontwikkeling is. Maar wat we ermee doen.